Mobiel lichtbord met waarschuwing "Let op 1,5 meter afstand" - AH Ganzenhoef, Amsterdam-ZUidoostEen pandemie heeft de wereld in haar greep. Ook in Nederland heerst een Coronacrisis die het openbare leven hard raakt, met verstrekkende gevolgen voor de samenleving en de economie. Om deze ernstige crisis te beteugelen, heeft het kabinet sinds maart diverse noodmaatregelen afgekondigd. Voor de bestrijding van de Coronacrisis is gekozen voor een ‘intelligente lockdown’, wat inhoud dat er appel wordt gedaan op burgerzin, zelfbescherming én bescherming van anderen. De genomen maatregelen passen geheel in een nationale bestuurlijke traditie die streeft naar een breed gedragen maatschappelijke consensus die rekening houdt met wat de Nederlandse bevolking kan en wil accepteren.

Toch zijn er ook door de Nederlandse regering enkele dwingende maatregelen opgelegd, zoals het sluiten van de horeca en het afgelasten van alle evenementen. Ook geldt een samenscholingsverbod voor groepen van drie of meer mensen in de openbare ruimte. Wie zich niet houdt aan deze regels kan een proces-verbaal krijgen als de onderlinge afstand van 1,5 meter of meer niet wordt gerespecteerd.

 

Achtergronden van de (nood)wetgeving

Tot nu toe lijkt het te werken. Maar voor het geval dat het echt misgaat heeft Nederland net als andere landen uitgebreide wetgeving achter de hand met een lange geschiedenis. Het gaat onder andere om tientallen noodwetten die in het verleden door het parlement zijn aangenomen voor alle denkbare situaties. Zo kunnen de Minister van Justitie en Veiligheid en de commissarissen van de Koning op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag het verblijf van burgers in de open lucht beperken. Havens kunnen gesloten worden op basis van de Havennoodwet. Er bestaan wetten voor het vorderen van o.a. vrachtwagens, schepen en vliegtuigen, zodat het vervoer blijft functioneren.

Een deel van de noodwetgeving stamt – met aanpassingen – nog uit de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, uit de Eerste Wereldoorlog of zelfs uit de jaren daarvoor. Zo is de Wet militaire inundatiën van 1896 in aangepaste versie nog steeds rechtsgeldig. Op basis van die wet kunnen delen van Nederland onder water worden gezet, zoals in de Eerste en Tweede Wereldoorlog ook is gebeurd. Ook kan de regering bijvoorbeeld ingrijpen in alle hoeken van de economie. Tot de verbeelding spreekt de Distributiewet, oorspronkelijk uit 1939, die het mogelijk maakt om voedsel en andere zaken te rantsoeneren. Die gaan dan ‘op de bon’. Het laatste dat ooit op de bon is geweest, is benzine, tijdens de Oliecrisis in 1973. Maar samen met de autoloze zondag was dat in feite vooral een symbolische maatregel. En, denkend aan de stormloop op het toiletpapier tijdens de eerste dagen van de lockdown, is er de Hamsterwet uit 1962, die in 1939 begon als de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet. Die is bedoeld om hamsteren tegen te gaan, zoals de naam al doet vermoeden.

Mobiel lichtbord met aansporing "Samen Sterk" - AH Ganzenhoef, Amsterdam-Zuidoost, 24 april 2020Ook kan de overheid diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. Namen als Inkwartieringswet en Wet verplaatsing bevolking laten weinig aan de verbeelding over. Dat zijn wetten die stammen uit de negentiende eeuw. De mogelijkheid om mensen tot dienst te kunnen verplichten is nog ouder. In een land dat bij voorkeur bouwt op vrijheid, vrijwilligheid en verantwoordelijkheid is het opleggen van dienstplicht een uiterste maatregel. Zo lijken niet alle burgers zich er van bewust dat de dienstplicht nog bestaat en dat die staat vermeldt in artikel 98 van de Grondwet. Via de Kaderwet dienstplicht kan de militaire dienstplicht snel worden geactiveerd. En die geldt tegenwoordig voor mannen én vrouwen. Nog minder bekend is dat ook gewone burgers tot dienst kunnen worden verplicht. Zo kunnen burgemeesters op basis van de Gemeentewet aan de inwoners van hun gemeenten plichten opleggen. En ook spreekt artikel 99a van de Grondwet over inzet van burgers voor de civiele verdediging, waarmee wordt bedoeld de bescherming van de bevolking en haar bezittingen in geval van een natuurramp, oorlogsgeweld of andere noodtoestand. Denk aan inzet van artsen en verplegend personeel op plaatsen waar dat dringend nodig is of aan de inzet van bestuurders van vrachtwagens of bemanning van schepen. Of denk aan het herstel of veilig stellen van de drinkwater- en energievoorziening. Eerder bestond in de Grondwet letterlijk de mogelijkheid van een ‘burgerlijke dienstplicht’ voor alle Nederlanders en niet-Nederlandse ingezetenen. Die plicht is tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog bijna daadwerkelijk in wet omgezet om een civiele verdediging te organiseren en de economie te mobiliseren voor de oorlogsproductie.

 

Huidige situatie

Het nemen van specifieke maatregelen en de uitvoering daarvan in de huidige Coronacrisis wordt op dit moment nog overgelaten aan lagere overheden, de gemeenten en hun burgemeesters. De beperkte hoeveelheid dwingende maatregelen in deze Coronacrisis komen tot nu toe van de minister van Justitie of worden genomen door de burgemeesters die hun plaatselijke Algemene Politie Verordening (APV) inzetten. Inmiddels kunnen burgemeesters ook een noodverordening als middel gebruiken, waarmee ze in hun gemeente hele specifieke maatregelen kunnen afkondigen. Ook zijn de 25 Veiligheidsregio’s ingeschakeld. Maar wat als meer maatregelen nodig zijn die juridisch gezien alleen tijdens een noodtoestand mogelijk zijn en moet worden opgeschaald naar het niveau van ‘buitengewone omstandigheden’?

Het hart van de noodwetgeving die in het geval van buitengewone omstandigheden kan worden ingezet is de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden uit 1996. Die ‘uitzonderingstoestand’ verwijst naar artikel 103 van de Grondwet. De wet regelt de handhaving van de uitwendige defensie en inwendige veiligheid van Nederland. Gek genoeg spreekt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden over ‘noodtoestand’. Als die noodtoestand eenmaal is afgekondigd, beschikken de minister-president en de ministers over ongekend ruime bevoegdheden, die in principe zijn bedoeld om in te zetten in geval van oorlog of oorlogsgevaar. Vroeger heette die noodtoestand dan ook ‘staat van oorlog’ of ‘staat van beleg’. De noodtoestand werkt als een paraplu waaronder de noodwetgeving automatisch in werking treedt of waaronder nog te maken wetten kunnen worden ondergebracht.

Premier Mark Rutte aan het woord tijdens de Verenigde Vergadering in de Ridderzaal te Den Haag - 3 december 2013
Premier Mark Rutte tijdens de Verenigde Vergadering in de Ridderzaal, 3 december 2013

Foto (CC BY 2.0): Inge van Mill

Voor een deel van het grondgebied of voor het hele grondgebied kan de minister-president via de Koning de noodtoestand laten uitvaardigen. Er wordt óf een al dan niet plaatselijke beperkte noodtoestand uitgeroepen óf een landelijke algemene noodtoestand. Dat gaat razendsnel: per Koninklijk Besluit. De Tweede en Eerste Kamer komen er niet aan te pas. Dat gebeurt pas later, als beide Kamers van de volksvertegenwoordiging in Verenigde Vergadering bijeenkomen om het Koninklijk Besluit te billijken en om te bepalen voor hoe lang het mag gelden. Dit alles om de slagvaardigheid van de regering te verhogen.

Tot nu toe is het activeren van rustende bepalingen in de noodwetgeving niet van toepassing geweest in deze crisis. Maar als premier Rutte en de rest van de regering de bevolking oproepen om gezamenlijk de Coronacrisis het hoofd te bieden en de gestelde regels worden niet goed genoeg opgevolgd, kan de noodwetgeving in het uiterste geval bij Koninklijk Besluit alsnog uit zijn sluimertoestand worden gewekt.

 

Wim de Natris
Fred Warmer

_____

Links

De Coronacrisis en wettelijke maatregelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *